Lifestyle

Natuurlijk

Lekker!

Waarom schrijf ik dit blog?

Op zoek naar wijsheid

Wat ik mijlenver aan had zien komen overviel me van de een op de andere dag.
Plotseling weigerde mijn lijf nog langer te doen waarvan ik vond dat het voor gemaakt was: bewegen, werken, voedsel innemen, dit weer verteren, mensen vasthouden die getroost moesten worden of een steuntje in de rug nodig hadden. Ik maakte meer uren op mijn werk dan noodzakelijk is, omdat ik vond dat het zo hoorde. En in plaats van te herkennen wat er gebeurde (ik had het immers mijlenver zien aankomen…), werd ik boos. Op mijn lijf. Op mijn leven.

Wat was dit voor onzin? Ik had geen tijd om ziek te worden en ik had er zeker geen zin in!
En dus ging ik een paar dagen na een laatste pijnaanval die verdomd veel weghad van niersteenaanvallen weer aan het werk. Huilen deed ik ‘s-nachts wel, als de slaap verdreven werd door pieker gedachten. Of ‘s-morgens op de fiets, als de wind toch al tranen over mijn wangen liet rollen.
Hoe makkelijk was het om in de lift te verzuchtten: ‘Pffttt, wat een wind he? De tranen rollen me over de wangen…’ Diegene die het gesprek al met me aan wilde gaan om even na zeven uur in de ochtend, knikte me vaak vriendelijk toe. Meestal stond ik echter alleen in de lift, wat op zich wel weer een opluchting was. Niemand om me groot voor te houden.

In de week van de verschrikkelijke pijnaanvallen in het gebied rond mijn nieren, drong de gedachte nog even aan me op: als ik maar geen gezwel in mijn nieren heb! Daar ben ik echt nog veel te jong voor. Ik wil mijn kinderen nog zien settelen, ik wil zo graag met kleinkinderen knuffelen, ze leren hoeveel je van lezen kunt houden. Ik wil zo’n voorleesoma worden, zo eentje waar de kleinkinderen aan hun papa en mama vragen: ‘Gaan we naar oma boek?’ Of oma knutsel, oma tekenen… 
In die week vroeg ik me serieus af of ik dit allemaal wel mee zou gaan maken…

Pas veel later zag ik het bizarre van de situatie in. Want erover denken dat je iets engs onder de leden hebt en misschien wel dood gaat is één, maar dat je dan een week later na deze heftige gedachte alweer op je werk fulltime aanwezig bent omdat je vindt dat het moet… dat is wel heel tegenstrijdig! 

Het duurde natuurlijk ook niet zo lang voordat mijn lijf dacht: allemachtig, hoeveel heb je nodig om te luisteren?, om vervolgens de volgende troef te gaan spelen. 
Koud een paar minuten op mijn werk vroeg een collega hoe het nu met me ging. Die pijnaanvallen, waren die nu helemaal voorbij? Had ik nog pijn of was het echt een eenmalig gebeuren geweest van in totaal negen aanvallen?
Ik herinner me de zoem in mijn hoofd nog die steeds luider en luider werd. Duizeligheid overviel me voor de zoveelste keer die week en een misselijkmakend gevoel nam bezit van mijn buik. Ik keek haar aan en voelde een dam doorbreken in mijn hoofd. 
‘Het gaat niet zo goed met me, geloof ik…’ fluisterde ik. Deze paar woorden waren voldoende om onbeheerst te gaan huilen. 
Tot mijn grote verbazing sloeg de collega haar armen om me heen en hield ze me een tijdlang vast. Het enige wat ze zei was: ‘Dat dachten we al. Allemaal.’
Het verwarde me meer dan ik kon bedenken.
Hoezo dacht iedereen dat al? Waarom dacht iedereen dat al? En als ze dat al dachten, waarom had niemand dan iets gezegd?
Om mijn laatste vraag moest de collega grinniken. ‘Had jij dan geluisterd en had je dan rust genomen?’ vroeg ze wijs. Ik haalde mijn schouders op en liet de volgende tranenvloed weer komen.

Ondertussen was de volgende collega binnengekomen. Met grote angstogen liep ze door het kantoor. Ik hoorde haar bijna denken: o jee, het is gebeurd. Ze is door het ijs gezakt…
Voor mij was deze gedachte genoeg om mezelf weer bij elkaar te rapen. Zij was degene die een paar weken ervoor plotseling haar vader had verloren. Haar man was in de eerste negen maanden van het jaar volop met kanker aan het vechten geweest. Godzijdank met goede afloop, maar toch… ik had niet zoveel te zeuren.
Ik dacht liever niet meer na over mijn eigen laatste twee stressjaren, want dat was nu eenmaal gebeurd. Mijn middelste kind leeft sinds mei 2017 in reservetijd, omdat zijn oudere broer als stamceldonor kon fungeren. Ik weet niet zeker of mijn middelste nog geleefd had als hij in mei 2017 niet de stamcellen van zijn broer had kunnen krijgen. 
Gelukkig herstelde hij en langzaam zagen we de zieke jongen in een gezonde man veranderen.

Net toen wij weer een beetje op adem dachten te komen, kwam de mededeling dat mijn lief voor ruim zes maanden op uitzending zou gaan naar de Westbank in Israël. 
En wéér stond ik langs de zijlijn toe te kijken hoe een volgende die mij zo lief is zich klaarmaakte voor een heftige periode. 

Zoals ik gewend was pakte ik mezelf weer bij elkaar en begon vol goede moed aan deze nieuwe uitdaging. Opwerken, inleven, inleren, het zijn termen waar veel militairen en hun partners vertrouwd mee zijn. Voor de buitenwereld leek het alsof we het gewoon even deden. Alleen andere militairen en hun thuisfront begrijpen dat het anders in elkaar zit dan zo makkelijk gezegd is.
De rijlessen die mijn lief moest volgen om in roerig gebied te kunnen autorijden gaven stof tot nadenken. Hoezo werd er afgeraden om met je auto stil te gaan staan in een menigte? Hoe agressief is agressief rijgedrag? Gooien Palestijnen echt iedere middag met stenen naar het Israëlische leger? En schieten deze dan serieus terug met scherp?
Ik kon me er niets bij voorstellen. Ik wilde me er niets bij voorstellen…

2018 brak aan en mijn liefste vertrok op 2 januari richting Westbank om pas half juli weer terug te keren.

Gelukkig bleek al snel dat het met die stenengooierij wel meeviel. Ze gooiden wel met stenen en ja, er werden traangasbommen teruggegooid (of met scherp geschoten), maar eigenlijk gebeurde dat zo georganiseerd, dat het vrij eenvoudig was om deze schermutselingen te vermijden. 

Om die reden kon ik half maart voor tien dagen naar mijn lief vliegen.
De ongelijkheid greep me naar de keel. Iedere dag stond ik vanaf het balkon toe te kijken hoe een kleine 500 meter verderop de Palestijnen hun onmacht en boosheid tentoonstelden door inderdaad met stenen te zwiepen in zelfgemaakte katapulten. Autobanden werden in de fik gestoken en traangasbommen belandden tussen de menigte in. 
Toch heb ik me nooit onveilig gevoeld.
Wel onder de indruk.

In juni zag ik kans om nogmaals tien dagen over de vliegen.
Voor velen in mijn omgeving ging ik voor de tweede keer dat jaar op vakantie naar een zonnig land. Voor mij was het een belangrijk onderdeel om het gemis te overbruggen, tijd om de eenzame weekenden die ik in Nederland had een beetje te compenseren. We probeerden elkaar niet al te ongerust te maken over zaken die bij onszelf speelden. Ik vertelde luchtig dat de stalker die ik via mijn werk had opgelopen nog steeds vervelend was, maar dat ik het echt wel kon händelen. De nachtelijke telefoontjes waren gelukkig afgelopen, en die mailtjes delete ik gewoon. Mijn lief sprak luchtig over de gevoelens van onderdrukking die hij proefde bij de Palestijnen waar hij mee samenwerkte. 
En we hielden vast aan 14 juli. De dag dat hij thuis zou komen.

Dat zo’n thuiskomst niet zonder slag of stoot gaat is iets wat ook niet iedereen begrijpt. De man komt thuis, dus je bent weer herenigd en dus blij. Toch? Bovendien was de tijd toch eigenlijk wel voorbij gevlogen en was ik toch maar mooi twee keer tien dagen bij hem op vakantie geweest!

Over alle eenzame avonden, weekenden werd niets gezegd. Dat was iets wat ik van te voren allemaal wist toen ik een beroepsmilitair trouwde? Alleen thuiskomen, alleen eten koken, alleen eten, alleen voor de tv op zaterdagavond…
Zoiets moet je eerst zelf doen. Dan mag je pas meepraten wat mij betreft.

Vlak voor de thuiskomst kwam bovendien de twijfel.
Wat nu als we erachter waren gekomen dat we helemaal niet meer samen willen leven? Wat als we stiekem meer waarde zijn gaan hechten aan dat alleen zijn? In dat halve jaar had ik gewoonten ontwikkeld die ik misschien maar moeilijk kon laten varen als ‘De Man’ ineens weer zijn plek in zou gaan nemen.

En wat te denken van andersom? Wij weten beiden dat ik van prulletjes hou en mijn lief de woonkamer, het huis, liever zo leeg mogelijk heeft. Al die planten, de kleine fotolijstjes, kaarsjes, het kan hem gestolen worden. Voor mij is dat echter een voorwaarde om fijn te kunnen leven.
Hervind deze balans dus maar weer als je eindelijk weer samen bent.

Gelukkig is de liefde sterk en overwint het uiteindelijk alles weer. Maar het is en blijft een strijd. Vooral van binnen…

Na de zomer werd het tijd voor mijn collega om op vakantie te gaan. Het was druk en ik was – ondanks een fijne vakantie naar Toscane – moe. 
Ik negeerde de signalen die mijn lijf mij (achteraf gezien al veel langer) gaf. Hoofdpijn slikte ik weg met een mooie cocktail van Ibuprofen en Paracetamol en ‘s-middags slikte ik gewoon wat extra Gaviscon om de maagzuren in bedwang te houden. Bovendien, ik sliep wonderbaarlijk goed in die tijd. Om 21.00 uur sleepte ik mijn vermoeide lijf naar boven om tien uur later weer aan het werk te gaan. Zo goed sliep ik in tijden niet! Dat ik ‘s-morgens doodmoe opstond negeerde ik, want misschien sliep ik wel gewoon teveel. Ik maakte mezelf wijs dat een mens ook van teveel slapen vermoeid kan raken.

Na de week van pijnaanvallen ging ik dus weer gewoon aan het werk. Ik had mijn functioneringsgesprek en wilde dat niet nogmaals uitstellen. En heel stiekem hoopte ik misschien – tegen beter weten in – dat ik eenzelfde beloning toegezegd zou krijgen als mijn collega een paar jaar geleden.
De teleurstelling toen dat niet gebeurde slikte ik diep in. Misschien was het ook allemaal niet zo bijzonder wat ik gedaan had in die afgelopen jaren. 
Ik was ondertussen een kei geworden in het relativeren van mijn eigen behoeften.

Tot die bewuste dag dat die collega dus vroeg hoe het nu eigenlijk met me ging.
Diezelfde dag sleepte ik me halverwege de dag naar mijn leidinggevende en herhaalde de woorden die ik eerder tegen mijn collega had uitgesproken: ‘Het gaat niet zo goed met mij, geloof ik…’, om vervolgens in de volgende huilbui uit te barsten.
Dat de kamer om me heen draaide was al normaal geworden voor me. Ook de hartkloppingen voelde wel onaangenaam, maar niet onwennig. De rode kleur van mijn wangen waren nieuw, maar de huisarts had mij bezworen dat ik echt geen hoge bloeddruk had, dus ik maakte me geen zorgen.
Of, nou ja, ik maakte me wel zorgen, maar kon niet zo goed duiden waar ik me nu precies zorgen over maakte. Mijn lijf, mijn vermoeidheid, de duizeligheid en hartkloppingen, natuurlijk maakte ik me daar zorgen over, maar niet zoveel als de gedachte dat ik gek aan het worden was. Dat baarde mij de meeste zorgen, denk ik.

Eenmaal thuis belde ik mijn moeder. Niet mijn lief, maar mijn moeder.
Ik had behoefte aan een gelijkgestemde ziel. En hoeveel ik ook van mijn lief houd, hij voelde niet wat ik voelde. Hij dacht niet op dezelfde manier als ik denk. Nu dacht ik niet zoveel in die dagen, maar ook dat zou mijn moeder beter begrijpen dan hij. De meest eenvoudige beredenering daarvoor lag in het feit dat mijn moeder, net als ik, een vrouw is. Met al haar vrouwenzaken, al haar vrouwenintuïtie, haar vrouwenhormonen, haar vrouwenwijsheid… 
En door de telefoon snikte ik mijn ellende weg.
Nog lang niet tot aan de kern van de zaken, maar in een oneindige poel van herkenning.

In de dagen die volgden ging ik me steeds slechter voelen. De zoem in mijn hoofd werd erger en erger en op straat kon ik me niet meer staande houden. Al dat verkeer! Al die geluiden…
Netflix had een slechte klant aan mij, want het enige wat ik wilde was stilte. 
Geen radio, geen tv en zeker geen Netflix!

Dagen achter elkaar zat ik op de bank naar buiten te kijken. Of ik sliep. Overdag, ‘s-nachts, het maakte me niet meer uit. Ik kon slapen daar waar ik stond, zat of lag.

En altijd op de achtergrond doken de vrouwen in mijn leven op. Om naast me te staan, stilletjes mijn hand vast te houden en samen met mij stil te zijn.
Heel langzaam ging het slapen overdag over in rusten op de bank. Dat ik ‘s-nachts nog steeds minimaal 10-12 uur slaap nodig had maakte me niet meer uit. Ik was moe, dus natuurlijk sliep ik veel. Heel veel!

Na vijf weken werd het slapen ‘s-nachts wreed verstoord door wakkere uren waarin ik piekerde of ik niet terug naar mijn werk moest. Wie ging er nu de planning voor het komende jaar maken en vooral: wie moest die klachten van dit jaar nu inboeken in het systeem, zoals ik altijd doe rond deze tijd van het jaar? Ik had daar eenvoudigweg de kans nog niet voor gehad, omdat ik te druk was met andere dingen. Paniek wisselde zich af met onrust. En ook daar waren de wijze vrouwen in mijn omgeving weer om mij terug te halen naar het nu. 
Mijn moeder, mijn schoonmoeder, vriendinnen, collega’s, allemaal bleven ze me (vaak op afstand, maar niet minder voelbaar) vasthouden om me tot rust te brengen.
Ik kreeg lieve kaartjes, ontving mooie mailtjes met rake teksten en vaak stuurden ze alleen maar een lief appje, waar ik niet eens op hoefde te reageren, maar wat wel vol liefde zat. 

De kleine wandelingetjes die ik probeerde te maken, breidde ik iedere dag een beetje meer uit. Van 10 minuten wandelen ging ik over naar een kwartier. Toen een half uur en ik besefte: de natuur heelt.
We leven in een land van seizoenen en hoe helend is dat? Al die bladeren die nu vielen waren voeding en bescherming voor de komende winter. En één ding wist ik zeker, hoe kaal het bos nu mocht zijn, over een paar maanden zouden de eerste knoppen de lente weer aankondigen om vervolgens weer volledig groen te worden als de dagen weer in lengte zouden toenemen. 

Deze tijd was niet alleen verdrietig, angstig soms, maar ook helend en leerzaam. 
Langzaam maakte de wolligheid in mijn hoofd plaats voor rust en hoewel ik nog steeds slechte dagen had, brak geregeld door de zon weer voorzichtig door tussen de wolken in mijn hoofd.
En nog steeds stonden de vrouwen in een cirkel om me heen en hielden me in de gaten zodat ik niet zou struikelen om zo keihard te vallen. Iedere keer als ik me verzwikte, voelde ik wel een hand die me staande hield.

Ik begreep steeds beter: zo doen vrouwen dat dus. Al eeuwen lang. Binnen families, in gezinnen, met vriendinnen en met al die andere wijze vrouwen om hen heen. 
Vrouwenwijsheid kent geen tijd. Vrouwenwijsheid  vind je overal terug, ongeacht cultuur of leeftijd.

In dit blog ga ik verder op zoek naar al die vrouwenwijsheden. Verstopt in mezelf, maar zeker ook bij al die lieve vrouwen om me heen! 

Ik wens je veel leesplezier! 
(Mocht je nu denken: zou ze weten dat…? Mail me! Wie weet kan ik jouw wijsheid ook wel doorgeven)